dinsdag 10 december 2013

accepteren of protesteren?

De laatste dagen lopen we hier in huis te stoeien met het begrip accepteren. Betekent iets accepteren dat als je begrijpt wat er gaande is, je het dan ook laat zoals het is? Of betekent accepteren dat je jouw begrip van de situatie juist gebruikt om te proberen de situatie te veranderen? Kortom: leidt acceptatie tot passiviteit of tot activiteit, tot niets doen of tot iets doen?

Als ik om me heen kijk, zou ik zeggen dat niet accepteren maar protesteren leidt tot actie. Opstand en daadkracht waaien schijnbaar op dezelfde wind. Als ik het ergens niet mee eens ben, kom ik in opstand en ga ik proberen om de situatie te veranderen. Zou ik de situatie accepteren dan lijkt er geen noodzaak te zijn om in actie te komen. Toch zie ik dagelijks bij mezelf en bij anderen dat hevig verzet ook kan leiden tot passiviteit, tot niet-handelen, tot inert niet weten hoe en wat verder. Hoe zit dat?

Als ik ergens boos over ben dan spannen al mijn hersencellen zich samen in om dat ene wat me niet zint groot en duidelijk in beeld te brengen. Mijn blik vernauwt zich tot dat wat mij stoort en mijn hoofd maakt overuren om de ‘voors’, maar vooral de ‘tegens’, helder in beeld en onder woorden te brengen, zodat ik de situatie of die ander kan proberen te veranderen. Niet zelden draai ik dan in steeds dezelfde rondjes rond mijn eigen redenering wat uitmondt in een gebrek aan overzicht en inzicht. Uit dit nauwe perspectief kan onmogelijk echt zinvol handelen volgen. Maar, hoe verlaat ik dan deze smalle weg van woede? Ik ben het niet eens met de feiten, ik wil zo graag dat het anders is dan dat het is.

Mijn enige wegwijzer is moed. Moed om echt te kijken naar de situatie en de ander daar JA tegen te zeggen. Ja, ik kan er niet omheen dat dit zo is, dat jij zo bent. Ik kan niet anders dan alle feiten over deze situatie en deze persoon onder ogen te zien en te aanvaarden, simpelweg omdat ze er nu eenmaal zijn. En ja, daar zitten kanten bij die voor mij onplezierig zijn, maar ik kan pas echt iets doen als ik zie wat ik zou kunnen doen. Als in het aloude voorbeeld: je kan de steen waarover je steeds struikelt niet opruimen als je de steen niet ziet liggen.

Iedereen kent situaties waar hij minder blij mee is. Onze jongste zou het liefst willen dat hij net als vorig jaar, weer uren met zijn oudere broer kon spelen. Onze oudste zou het liefst minder huiswerk hebben. Mijn lief zou het liefst vaker thuis zijn en ik zou het liefst mijn zus weer terugtoveren. Maar het is zoals het is. Dit is de steen die nu voor onze voeten ligt is en pas als we dat kunnen accepteren, kunnen we zien wat we, gegeven de omstandigheden, kunnen doen om de weg beter begaanbaar te maken. Dan zien we dat er nog veel meer wegen zijn dan alleen die smalle weg van verzet. Wegen die leiden naar warmte, naar plezier, naar misschien wel gewoon een gelukkig leven. 

verwachtingswolk

Tussen jou en mij en anderen zweven wolken vol verwachtingen. Lichte pluizige, haast transparante wolken maar ook donkergrijs gestapelde wolken. Wolken die zijn gevormd door wat ik vind en wat ik hoop, wat ik geleerd heb en denk te weten en meer. Wolken ook die steeds andere vormen aannemen en die nooit blijven waar ze ooit waren.

Deze wolken zweven boven ons en - niet zelden - tussen ons en ze veroorzaken een mist waardoor ik niet zelden onscherp zie. Soms is het een blije mist, andere keren een boze mist, die bestaat uit een overvloed aan ideeën, meningen, gedachten, gevoelens, kortom dat wat ik denk te weten en te voelen over mij, anderen en het leven kleurt mijn uitzicht. Het bepaalt wat ik zie en wat ik niet zie.

Sta ik middenin de wolken, dan zijn zij voor en achter, onder en boven me en zie ik niets dan de wolk. Ik weet met mijn verstand wel dat er helderheid is buiten deze wolk, maar ik zie het niet. Ik zie niet duidelijk wat daar is of wie daar is, omdat ik kijk door de mist van mijn eigen verwachtingen, mijn patronen en mijn projecties.

Hoe deze verwachtingen of projecties er precies uitzien is lastig te omschrijven, want de wolk zelf is ongrijpbaar. Als ik de wolk vast probeer te pakken, dan glijdt hij door mijn hand. De deeltjes zijn zo klein en schijnbaar onaantastbaar dat ik ze vaak niet kan vangen. Ze raken me aan en ik voel dat er wat met me gebeurt, maar ik zie niet wat het is dat dit veroorzaakt. Daarvoor zal ik eerst uit de mist moeten stappen om van een afstand te zien hoe wolken mij het zicht op de situatie en de ander beïnvloeden.

Wolken tegen een helderblauwe lucht. Veel wolken. Wolken van mij en wolken van anderen. Wolken die soms botsen en hevig onweer veroorzaken. Wolken die ook voor een aangename verkoeling zorgen. Wolken die veelvuldig verschijnen en wolken die bij warmte weer als sneeuw voor de zon kunnen verdwijnen.

wat bedoel je?

Vanmorgen een aanvaring met jongste. Binnen twee tellen veranderde ons kabbelend gebabbel in turbulente kift. Aanleiding: zand. Ik dacht dat ik op een geheel neutrale manier vaststelde dat het zand dat gisteren nog onderaan zijn schoenen bleef plakken, vandaag gedroogd en wel zich breeduit op de keukenvloer liet vallen. Niet meer en niet minder. Nogmaals, ik dacht écht dat ik niet veroordelend was. Zoon ontplofte. Hoe ik dan misschien had gedacht dat hij dit nu moest oplossen en waarom ik zo vreselijk onuitstaanbaar uit de hoogte en vooral onbehulpzaam en kritisch ingewikkeld liep te doen??!!

Het tempo zat er lekker in vandaag. Ook ik ontplofte. Hoe hij het in zijn hoofd haalde om zo tekeer te gaan terwijl ik alleen maar zei dat… en of hij niet wat beter kon luisteren naar wat… en ja misschien ben ik even niet zo helder en tactvol nu, maar ik ben zwaar verkouden en mag ik ook eens op wat begrip rekenen en... aaaahhhhhh…, ik hoorde mezelf gaan, zag me tussen het zand op de keukenvloer terechtkomen en vroeg me af wie me hier nog in vredesnaam zou komen opvegen.

Ik zag een woest kind voor me en ik voelde een woest kind in me. Beiden stonden we te stampvoeten om begrip.

Op de fiets samen naar school sputter ik nog wat na over hoe belangrijk het is dat je precies zegt wat je bedoelt en dat je niet een hele reeks verborgen betekenissen in een zin stopt die een ander vervolgens mag raden en dat je omgekeerd dus ook niet voor een ander hoeft in te vullen wanneer hij misschien veel meer bedoelt dan wat hij zegt.

Zoon is ondertussen stiller dan stil. Als ik eindelijk mijn mond hou zegt hij dat hij moe is en ook verkouden en dat hij een beetje hoofdpijn heeft. Ik sta op het punt te oreren dat het nog maar één dag is tot het weekend is en dat hij het nog maar even moet zien vol te houden, als hij mijn gedachten lijkt te raden. Met een schuin oog kijkt hij op. Dan zegt hij dat ik echt niet hoef te denken dat hij bedoelt dat hij niet naar school wil, want hij weet zelf ook wel dat hij gewoon moet gaan.

“Dat bedoel ik nou!” wil ik uitroepen. Gelukkig laat ik het en zoals vaker vraag ik me schuldbewust af wie hier nou het kind is.

lapjesdeken

Mijn zus is dood.
Maar er is ook een moeder dood. En een dochter, een partner, een vriendin, een collega, een sportmaatje… kortom: één mens in relatie tot heel veel andere mensen. Die ene vrouw, mijn zus, vervulde net als iedereen verschillende rollen in haar mens-zijn en net als iedereen dacht ze daar niet over na, maar leefde ze haar leven met de mensen om haar heen die van haar hielden en van wie zij hield.

Nu ze dood is en gemist wordt probeer ik haar soms te vinden in de gesprekken met anderen, in dat wat ik bij hen hoop te herkennen als vleugjes van haar, maar vaak vind ik haar niet, herken ik haar in andermans verhalen gedeeltelijk of zelfs helemaal niet als mijn zus. Dat is spijtig maar ook wel logisch, want mijn herinneringen aan haar bestaan uit dat wat zij en ik samen hadden, uit onze gezamenlijke geschiedenis en ons gevoel voor elkaar. Wat mij met mijn zus verbond was het stukje van mij in haar en het stukje van haar in mij. Daar ligt mijn verbinding en daar ligt ook mijn verdriet

In die speciale relatie tussen mensen ligt de bron van het verlangen naar de ander, naar dat deel wat speciaal bestemd was voor jou, naar het gevoel dat ontstond als je samen was en wat ook alleen voor samen bedoeld was. Dat bijzondere gevoel vind je nergens terug. Niet in de gesprekken met anderen, niet in de verhalen over haar en niet in wat zij betekende voor een ander. “Zij en ik” zal ik nooit terugvinden in een herinnering van “zij en die ander.”  

We zijn als het ware allemaal lapjesdekens, bestaande uit verschillende relaties met verschillende mensen die er allemaal net even wat anders uitzien. Samen vormen ze de grote, kleurrijke deken, die ieder mens maakt tot wie hij is.

Soms deel ik mijn herinneringen met iemand die zelf geen lapje op haar deken heeft. Dat geeft me de ruimte om onbeschroomd in te zoomen op mijn deel van de deken, om vrijuit te vertellen hoe mijn draadjes eruit zien, de kleuren die er zijn, de vormen die we samen aangebracht hebben. Andere keren deel ik mijn herinneringen met iemand die haar wel heeft gekend. Dan kan het zijn dat diegene me een heel ander patroon laat zien, een andere kleur, een ander soort stof, dan die ik zelf zo goed ken. In zo’n geval heeft niemand gelijk, of beter nog: heeft iedereen gelijk.

Het is gek maar ook mooi tegelijkertijd om me te realiseren dat het bij mezelf ook zo in elkaar steekt. Ik als lapjesdeken. Jij als lapjesdeken. Mijn zus als lapjesdeken.

moedermopper

(desgewenst: vadermopper/verzorgermopper/opa-omamopper/juf-meestermopper enzovoorts)

Ja, ik bedoel precies wat ik schrijf en nee, het woord bestaat niet. Ik vraag me af waarom eigenlijk niet, want het gebeurt dagelijks en veel. Zonder overdrijven. Ben ík het niet, dan is het wel een andere moeder (lees: vader/juf/verzorger etc…) die moppert op haar kinderen. Gelegitimeerd mopperen, zo lijkt het. “Ben je nou nog niet...? Ga toch eens... Ik moet ook altijd... Denk zelf eens aan... Waarom heb je nog steeds niet...?”
Een regen van nare zinnetjes, van commentaar en van beter weten, onder het mom van opvoeden, grootbrengen en zorgen voor. Zo kun je flink tekeer gaan tegen je kinderen, je eigen frustraties uitleven en alles wat je dwars zit die dag afreageren omdat je kind zijn schoenen laat slingeren en niet op tijd naar bed gaat. Maar wat zijn nou de werkelijke redenen waarom je als moeder tekeer gaat?

Zodra je kinderen krijgt begint het geworstel tussen vasthouden en loslaten. Een baby’tje heeft het nodig om vastgehouden te worden. Het kan niet zonder, het overleeft zelfs niet zonder. Maar al snel wringt het zich van je schoot af en dribbelt het op eigen benen alle onveilige plekken tegemoet waar jij hem of haar niet wilt hebben. Er begint de strijd tussen willen en willen en deze strijd lijkt niet meer te stoppen. Ik wil van alles voor mijn kinderen en mijn kinderen willen een heleboel andere dingen voor zichzelf. Ik denk te weten wat goed is voor hen gezien mijn leeftijd en ervaring en zij denken, gezien hun eigen leeftijd en ervaring, dat nog veel beter te weten.

Laten we eerlijk zijn: in al het goedbedoelde ‘zorgen voor’ zit meestal, zo niet altijd, twee kanten. Neem het naar bed gaan. Ik wil graag dat ze op tijd naar bed gaan en ik zeg hen dat dit goed voor ze is, omdat ze hun nachtrust echt hard nodig hebben, maar ik wil ze ook en misschien wel meer op tijd in bed hebben (en dat zeg ik dan net even niet hardop)  omdat ik zelf 's avonds nog zo graag een rustig moment zonder kinderen wil en omdat ik er zélf ook de volgende dag last van heb als ze niet uitgeslapen en chagrijnig zijn...

Dit is natuurlijk een best onschuldig voorbeeld. Maar wat hier geldt, geldt ook voor andere goed bedoelde opvoedingsadviezen en – handelingen waaraan ik me schuldig maak. Ik kan bij de meeste opvoedingskwesties naast een pedagogisch belang ook een eigenbelang noemen. Al deze belangen bij elkaar opgeteld komen er op neer dat ik goed voor hen wil zorgen, maar ook voor mezelf. Dat ik als ouder geen steken wil laten vallen, maar ook mezelf niet. Dat zij en ik mij niets te verwijten hebben en daarmee valt meteen het allerbelangrijkste verwijt open en bloot in mijn schoot: huichelarij. Ik handel uit redenen die ik hardop zeg, die liefhebbend en acceptabel klinken, maar tegelijkertijd ook uit redenen die ik niet hardop uitspreek, redenen die in mijn ogen wellicht minder verantwoord zijn. En als ik in mijn handelen niet helder ben over de redenen van mijn handelen dan zorg ik per definitie voor verwarring en huichelarij. Geen kind die dan nog luistert en geen moeder die dan nog blij functioneert met als gevolg: een lawine van moedermopper. Cirkeltje rond. Werk aan de opvoedingswinkel. Het mag helder zijn wie er in dit geval (her-)opgevoed moet worden. 

later word ik...

Brandweerman! Juf! Dokter! Kapster! Vader! Voetballer!

Aan kinderen wordt regelmatig gevraagd wat ze later willen worden. Even onzinnig als het antwoord is de vraag. Hoezo wil je wat wórden? Je bent nog niet eens halfweg de lengte die je uiteindelijk gaat zijn en je mag al een uitspraak doen over je maatschappelijke positie pakweg 10 à 15 jaar verderop?!

Ik kan me niet herinneren wat ik zelf ooit heb geantwoord. Ik weet wel dat ik op de vraag “wat ik ben” - in de zin van welke al dan niet betaalde maatschappelijke taken ik op me heb genomen -  nog steeds geen goed antwoord heb, omdat ik de vraag veel te letterlijk schijn te nemen. Ik wórd niet wat en ik ben geen ‘iets’, zoiets. Een vraag kan rare dingen in je teweeg brengen.

Wat doet het met een kind als wordt gevraagd wat hij of zij wil worden? Het zal eens goed om zich heenkijken naar de mensen die hij kent of bewondert en op basis daarvan besluiten wat hij later zou kunnen gaan doen. Een keuze op basis van – zij het beperkt -  marktonderzoek. Geheel onschuldig, zou je zeggen, maar naarmate je ouder wordt blijft de vraag, maar ook de richting waarin het antwoord wordt gezocht vaak onveranderd. Met de vraag: “Wat wil je worden” keer je je blik vanuit je binnenste binnen linea recta 180 graden om naar buiten om daar de maatschappelijke mal te vinden die jou het beste past. Voor mij was dat catastrofaal. Ik weet nog dat ik eind VWO in de gidsen van vervolgopleidingen bladerde en ze van schrik even snel weer sloot. Waarom? Omdat mijn naam niet in die gidsen stond. Omdat ik niet wist welke plek van de markt er voor mij gereserveerd was. Ik keek naar buiten en vond daar mezelf niet.

Hoe had ik mezelf wel kunnen vinden? Hoe kunnen kinderen zichzelf terugvinden in een vraag die die zich richt op de buitenwereld en het zo-zijn van dit kind op dit moment buitensluit? Niet! En daarom stel ik voor dat we deze vraag helemaal afschaffen. Vraag een kind wat hij leuk vindt om te doen, waar hij blij van wordt, waar hij goed in is en wat hij minder kan, maar niet meer nooit meer wat hij later worden wil! Eenvoudigweg omdat deze vraag niet deugt, want je wórdt niet iemand, je bent al iemand, nu én later, ongeacht welke opleidingen of welk soort werk je ook gaat doen. En om nu te voorkomen dat ook veel van onze kinderen na heel wat jaren, opleidingen en banen zichzelf moeten zien terug te vinden, stel ik voor dat we hen van jongs af aan de vraag gaan stellen: “Hoe wil je later zijn?” Het antwoord hierop brengt je via vandaag langs morgen naar de toekomst. Het is een tijdloze leidraad die je elke dag herinnert aan wie je bent en wie je kunt zijn, en die je jezelf bovendien je hele leven lang kunt blijven stellen.

ja en nee

Ik ben voor en jij bent tegen, ik wil niet en jij wilt wel. Ik vind hoog en jij vindt lager, jij rent hard en ik sta stil, ik doe links en jij doet rechts, ik zeg ja en jij zegt nee.
...
Allebei zijn we er vast van overtuigd dat wat we doen het juiste is. Dat hebben we zo bedacht en besloten en in het verlengde daarvan handelen we elk naar onze eigen eer en geweten. Zijn we nou verschillend of zijn we hetzelfde?

Als we elkaar ontmoeten en onze handelingen zien er uit als tegenovergesteld, dan zullen we vaststellen dat we verschillend zijn. Jij doet niet als ik, dus ik ben niet als jij. Deze conclusie ligt voor de hand. Als ik jou dat zie doen wat ik niet zou doen dan is het eerste wat ik in mij en jij in jou waarschijnlijk voel opkomen is een “Nee”. Nee, dat is niet handig. Nee, dat doe ik anders. Nee, dat vind ik niet aardig. Nee dat is niet zoals ik vind dat het zou moeten. Nee, dat vind ik niet fijn. We constateren de verschillen en trekken de conclusie:  jij en ik zijn niet gelijk.

Zo lijkt het of we beiden een heel andere kant op kijken, of we met de ruggen tegen elkaar heel andere werelden zien. Maar zouden we ons samen in de rondte draaien dan zouden we door elkaars ogen zien. Dan zouden jij en ik begrijpen waarom de ander ziet zoals hij ziet, want we zouden ook elkaars uitzicht zien.

Ik kan me namelijk niet voorstellen dat ik wezenlijk iets anders wil dan jij. Dat achter jouw nee en mijn ja niet dezelfde verlangens liggen. Dat ik met mijn woeste gebaren niet hetzelfde bedoel als jij met jouw verholen bewegingen. Dat jij met jouw harde woorden niet hetzelfde wil zeggen als ik met mijn stilzwijgen. Ik doe niet net als jij, maar verlang wel net als jij. Dat ik gezien word, dat ik geaccepteerd word, ja eigenlijk heel simpel dat er van mij gehouden word. Ik weet zeker dat dit ook jouw diepste verlangen is. Toch blijven we steken in het vaststellen van de verschillen en maken jij en ik, jullie en wij geen verbinding met elkaar via de gedeelde wens. Zoveel eenzaamheid en zoveel armoede. Ik ben ik en jij bent jij geldt evenzeer als: ik ben de ander en de ander is mij.